Moeten we hiermee wachten tot het einde van de therapie?
Waarschijnlijk niet.
Wanneer overgave een dominante copingreactie is en iemand zeer regelmatig wordt overspoeld door kwetsbaarheid of zelfkritiek, kan het ook vroeger in de therapie nuttig zijn om samen naar de gevolgen daarvan te kijken.
De houding van de therapeut is dan wel anders.
In een vroege behandelfase blijft de therapeut zelf veel verantwoordelijkheid dragen. We kunnen bijvoorbeeld duidelijk maken:
“Deze kwetsbare kant mag hier zijn en we gaan hier samen voor zorgen. Tegelijk wil ik je ook helpen begrijpen wat er gebeurt wanneer deze gevoelens je volledig overnemen.”
Erkenning en confrontatie hoeven dus geen tegenpolen te zijn.
Sterker nog: een goede empathische confrontatie kan alleen bestaan wanneer beide aanwezig zijn.
En wat als kwetsbaarheid óók een copingfunctie heeft?
Er blijft nog een belangrijke nuance.
Een uiting van kwetsbaarheid kan naast een authentieke emotionele ervaring ook een interpersoonlijke functie hebben gekregen. Dat hoeft helemaal niet bewust of intentioneel te gebeuren.
Wanneer bepaald gedrag in het verleden bijvoorbeeld vaak zorg, geruststelling, aandacht of het verminderen van verwachtingen heeft opgeleverd, kunnen die reacties het patroon mee in stand houden.
Hetzelfde kan gelden voor zelfkritiek. Iemand kan zichzelf bijvoorbeeld hard straffen om kritiek van anderen voor te zijn, schuldgevoel te verminderen of een gevoel van controle te behouden.
Op zulke momenten kan verdere differentiatie in het modusmodel juist wél behulpzaam zijn. Concepten als Hulpeloze Overgave of Zelfkastijder kunnen therapeuten helpen zien dat er naast kwetsbaarheid of zelfkritiek ook een copingproces meespeelt.
Limited reparenting of het begrenzen van een Straffer alleen zal die functie dan mogelijk onvoldoende veranderen.
Hier toont een uitgebreider modusmodel zijn meerwaarde.
Hoeveel modi hebben we dan nodig?
Misschien is dat uiteindelijk niet de juiste vraag.
We hoeven niet noodzakelijk te beslissen hoeveel modi er “echt” bestaan.
Een eenvoudige indeling kan helpen om samen met cliënten snel een begrijpelijke kaart te maken van hun innerlijke wereld. Meer specifieke modi kunnen vervolgens nuttig zijn wanneer we moeten inzoomen op een patroon dat met die brede categorieën onvoldoende wordt verklaard.
Hetzelfde geldt voor empathische confrontatie.
We hoeven kwetsbaarheid niet te wantrouwen om de gevolgen van voortdurende overgave eraan bespreekbaar te maken. We kunnen het verdriet erkennen én samen onderzoeken wat er gebeurt wanneer het verdriet het stuur volledig overneemt.
Misschien ligt precies daar de klinische bruikbaarheid van deze manier van denken:
niet het gevoel confronteren, maar het patroon eromheen.
En misschien geldt voor modi hetzelfde als voor veel andere concepten in therapie: niet zoveel mogelijk onderscheiden, maar zoveel onderscheiden als nodig is om te begrijpen wat er gebeurt en wat iemand vervolgens kan helpen.
Hoe kijken jullie hiernaar? Werken jullie liever met brede moduscategorieën, of merken jullie dat nieuwe en specifiekere modi soms precies het ontbrekende stukje van de casusconceptualisatie bieden?