Back Terug

Meer modi of minder modi?

Over kwetsbaarheid, coping en empathische confrontatie

Een van de eerste dingen die we als schematherapeut leren, is dat het Kwetsbare Kind zorg, begrip en limited reparenting nodig heeft. Kritische en bestraffende oudermodi proberen we net te begrenzen en terug te dringen. Wat moeten we dan denken wanneer er gesproken wordt over empathische confrontatie van het Kwetsbare Kind of van kritische modi?

Die vraag kwam bij ons op tijdens het lezen van Schematherapie: Stap voor stap van Marjolein van Wijk-Herbrink en Remco van der Wijngaart (2026). In eerste instantie vroegen we ons af of hier niet eigenlijk iets anders werd beschreven: copingmodi die zich als kwetsbaarheid presenteren, zoals Hulpeloze Overgave, of zelfkritiek die zelf een copingfunctie heeft, zoals bij de Zelfkastijder.

Een workshop van de auteurs op het recente Schematherapie Congres hielp om die vraag anders te bekijken. Misschien hoeven we niet telkens nieuwe modi toe te voegen om dergelijke klinische fenomenen te begrijpen. Misschien kunnen we het modusmodel op sommige momenten juist eenvoudiger hanteren.

Dat brengt ons bij een bredere vraag: hoeveel modi hebben we eigenlijk nodig?

Afbeelding

Van schema naar modus

Om die vraag te begrijpen, moeten we kort terug naar de theorie.

In 2021 publiceerden Arntz en collega’s een voorstel om de onderliggende theorie van de schematherapie verder te ontwikkelen. Daarbij werden de basisbehoeften uit het oorspronkelijke model opnieuw bekeken in het licht van recentere psychologische theorieën, waaronder het model van Dweck (2017). Er werden twee behoeften toegevoegd: zelfcoherentie en rechtvaardigheid. Daaruit werden ook nieuwe schema’s afgeleid.

Vervolgens werd gekeken naar de samenhang tussen schema’s en copingreacties. Een eenvoudige theoretische gedachte daarbij is:

schema-activatie + copingreactie = modus

Wanneer we de verschillende schema’s combineren met de drie klassieke manieren van omgaan met schema-activatie — overgave, vermijding en omkering — ontstaat theoretisch een groot aantal mogelijke modustoestanden. Arntz en collega’s kwamen zo aanvankelijk tot 63 combinaties, die op theoretische gronden werden teruggebracht tot een voorstel van 40 disfunctionele modi.

Dat model nodigt uit tot differentiatie. Wanneer twee cliënten zich ogenschijnlijk vergelijkbaar gedragen, kan het klinisch belangrijk zijn om te begrijpen welk schema en welke copingreactie daaronder liggen.

Maar dezelfde theoretische redenering kan ook in de tegenovergestelde richting worden gebruikt.

 

 

Afbeelding

Een eenvoudige kaart of een gedetailleerde atlas?

Tijdens een gesprek op het Schematherapie Congres vertelde Remco van der Wijngaart dat hij voorstander is van een relatief eenvoudige hantering van het modusmodel. Daarbij zijn vooral de grote categorieën belangrijk: kindmodi, kritische of oudermodi, beschermende modi en gezonde modi.

Een cliënt heeft vanuit die visie bijvoorbeeld niet noodzakelijk allerlei afzonderlijke beschermers. Er kan ook gesproken worden over één beschermende kant die verschillende strategieën inzet.

Iets gelijkaardigs geldt voor kwetsbaarheid en zelfkritiek. Wanneer iemand zich overgeeft aan een schema van minderwaardigheid, verlating of emotionele deprivatie, kan dit zich uiten in een kindmodus. Wanneer iemand zich overgeeft aan een bestraffend of veeleisend schema, kan dit zich uiten in een kritische oudermodus.

Vanuit die redenering hoeven we niet voor elke specifieke verschijningsvorm een afzonderlijke modusnaam te creëren.

Dat is een aantrekkelijk idee. We horen geregeld van mensen die schematherapie leren dat zelfs het bestaande modusmodel behoorlijk wat oefening vraagt. Een steeds langere lijst van modi kan de indruk wekken dat een therapeut voor elk gedrag eerst de juiste diagnostische naam moet vinden.

Tegelijkertijd kan meer differentiatie wel degelijk nuttig zijn. Een modus zoals Hulpeloze Overgave of Zelfkastijder kan bijvoorbeeld helpen om een bepaald patroon sneller te herkennen en functioneel beter te begrijpen.

Misschien hoeven we daarom niet te kiezen tussen een eenvoudig of een uitgebreid modusmodel.

Een eenvoudige indeling kan fungeren als kaart, terwijl meer specifieke modi gebruikt kunnen worden als zoomfunctie wanneer dat klinisch iets toevoegt.

Afbeelding

Kun je het Kwetsbare Kind confronteren?

Dan komen we terug bij de vraag die ons aanvankelijk triggerde.

Wat betekent het om een kindmodus empathisch te confronteren?

Op het eerste gezicht lijkt dat bijna in strijd met de basisprincipes van de schematherapie. Een Kwetsbaar Kind heeft immers bescherming, erkenning en zorg nodig. Waarom zouden we daar tegengas aan geven?

Het antwoord ligt volgens ons in een belangrijk onderscheid:

we confronteren niet het gevoel zelf, maar kunnen wel de overgave eraan en de gevolgen daarvan confronteren.

Verdriet, angst, eenzaamheid of schaamte hoeven niet minder waar of minder authentiek te zijn omdat ze gevolgen hebben voor anderen.

Wanneer iemand echter zeer frequent overspoeld raakt door verdriet, kan dat bijvoorbeeld ook zwaar worden voor naasten. Zij kunnen na verloop van tijd minder beschikbaar worden, geïrriteerd reageren of afstand nemen. Daardoor kan precies de afstand ontstaan waar de cliënt zo bang voor is.

Ook in therapie kan iets gelijkaardigs gebeuren. Een therapeut kan merken dat hij of zij moedeloos of geïrriteerd begint te raken wanneer een cliënt, ondanks herhaald therapeutisch werk, steeds opnieuw volledig wordt meegezogen in dezelfde kwetsbare toestand.

Dat betekent niet dat de kwetsbaarheid “onecht” is.

Het betekent wel dat herhaaldelijke overgave aan die toestand gevolgen heeft.

En precies die gevolgen kunnen onderwerp worden van empathische confrontatie.

Afbeelding

Wie confronteren we dan eigenlijk?

Tijdens het oefenen met deze techniek viel nog iets op.

Voor verschillende deelnemers werd de interventie gemakkelijker wanneer niet rechtstreeks tegen het Kwetsbare Kind werd gesproken, maar wanneer de Gezonde Volwassene actief werd betrokken.

De vraag wordt dan minder:

“Waarom blijf je toch zo in dat verdriet zitten?”

en meer:

“We begrijpen heel goed waarom deze gevoelens zo sterk zijn. Tegelijk zien we wat er gebeurt wanneer je je er telkens volledig door laat meenemen. Kunnen we samen kijken wat jouw Gezonde Volwassene kan doen wanneer dit gebeurt?”

In die zin kan empathische confrontatie van een kindmodus ook begrepen worden als het aanspreken van de Gezonde Volwassene op verantwoordelijkheid.

Dat maakt bovendien duidelijk waarom timing belangrijk is.

In latere fasen van een therapie mag van de cliënt doorgaans meer verwacht worden op het vlak van zelfzorg, emotieregulatie en het innemen van een Gezonde Volwassene-positie. Een dergelijke confrontatie past daar dan vanzelfsprekend bij.

Tijdens de workshop kwam echter ook de vraag naar voren of we daar altijd tot de laatste fase mee moeten wachten.

Afbeelding

Moeten we hiermee wachten tot het einde van de therapie?

Waarschijnlijk niet.

Wanneer overgave een dominante copingreactie is en iemand zeer regelmatig wordt overspoeld door kwetsbaarheid of zelfkritiek, kan het ook vroeger in de therapie nuttig zijn om samen naar de gevolgen daarvan te kijken.

De houding van de therapeut is dan wel anders.

In een vroege behandelfase blijft de therapeut zelf veel verantwoordelijkheid dragen. We kunnen bijvoorbeeld duidelijk maken:

“Deze kwetsbare kant mag hier zijn en we gaan hier samen voor zorgen. Tegelijk wil ik je ook helpen begrijpen wat er gebeurt wanneer deze gevoelens je volledig overnemen.”

Erkenning en confrontatie hoeven dus geen tegenpolen te zijn.

Sterker nog: een goede empathische confrontatie kan alleen bestaan wanneer beide aanwezig zijn.

 

En wat als kwetsbaarheid óók een copingfunctie heeft?

Er blijft nog een belangrijke nuance.

Een uiting van kwetsbaarheid kan naast een authentieke emotionele ervaring ook een interpersoonlijke functie hebben gekregen. Dat hoeft helemaal niet bewust of intentioneel te gebeuren.

Wanneer bepaald gedrag in het verleden bijvoorbeeld vaak zorg, geruststelling, aandacht of het verminderen van verwachtingen heeft opgeleverd, kunnen die reacties het patroon mee in stand houden.

Hetzelfde kan gelden voor zelfkritiek. Iemand kan zichzelf bijvoorbeeld hard straffen om kritiek van anderen voor te zijn, schuldgevoel te verminderen of een gevoel van controle te behouden.

Op zulke momenten kan verdere differentiatie in het modusmodel juist wél behulpzaam zijn. Concepten als Hulpeloze Overgave of Zelfkastijder kunnen therapeuten helpen zien dat er naast kwetsbaarheid of zelfkritiek ook een copingproces meespeelt.

Limited reparenting of het begrenzen van een Straffer alleen zal die functie dan mogelijk onvoldoende veranderen.

Hier toont een uitgebreider modusmodel zijn meerwaarde.

 

Hoeveel modi hebben we dan nodig?

Misschien is dat uiteindelijk niet de juiste vraag.

We hoeven niet noodzakelijk te beslissen hoeveel modi er “echt” bestaan.

Een eenvoudige indeling kan helpen om samen met cliënten snel een begrijpelijke kaart te maken van hun innerlijke wereld. Meer specifieke modi kunnen vervolgens nuttig zijn wanneer we moeten inzoomen op een patroon dat met die brede categorieën onvoldoende wordt verklaard.

Hetzelfde geldt voor empathische confrontatie.

We hoeven kwetsbaarheid niet te wantrouwen om de gevolgen van voortdurende overgave eraan bespreekbaar te maken. We kunnen het verdriet erkennen én samen onderzoeken wat er gebeurt wanneer het verdriet het stuur volledig overneemt.

Misschien ligt precies daar de klinische bruikbaarheid van deze manier van denken:

niet het gevoel confronteren, maar het patroon eromheen.

En misschien geldt voor modi hetzelfde als voor veel andere concepten in therapie: niet zoveel mogelijk onderscheiden, maar zoveel onderscheiden als nodig is om te begrijpen wat er gebeurt en wat iemand vervolgens kan helpen.

Hoe kijken jullie hiernaar? Werken jullie liever met brede moduscategorieën, of merken jullie dat nieuwe en specifiekere modi soms precies het ontbrekende stukje van de casusconceptualisatie bieden?

 

Afbeelding
© Schematherapie 2026 – Webdesign Webit
Voorwaarden|Privacy|Cookiebeleid